CNC-programmeren

Het programmeren van CNC-programma’s is een specialistische taak. Om deze techniek beter uit te leggen wordt het CNC-programmeren van verspanende machines als voorbeeld genomen. Andere vormen van CNC-bewerkingen zijn cnc-zetten, cnc-boren en tappen, cnc-lasersnijden of autogeen en plasmasnijden.

Verspanen met behulp van CNC

Verspanen met behulp van CNC houdt in dat de computer gebruikt wordt voor het aansturen van de hoofdspil, de aanzet van het gereedschap en de aanzet van de tafel. Hierdoor zijn nauwkeurige producten te realiseren in een kort tijdsbestek. De CNC-machine wordt aangestuurd door het CNC-programma. Een CNC programma is een serie van regels die achtereenvolgens gelezen worden. Iedere regel brengt een aantal commando’s in combinatie met een serie waardes over naar de CNC machine. Deze zal de regels één voor één uitvoeren. Door het gebruik van een nauwkeurig meetsysteem kunnen producten nauwkeurig en snel geproduceerd worden.

CNC-programmeren wordt veel toegepast door de verspanende afdeling

Opbouw CNC programma

Een CNC-programma is een serie van regels die achtereenvolgens gelezen en uitgevoerd worden. Een regel bestaat uit een serie commando’s en aanvullende waardes. Commando’s worden door een letter aangegeven en bepalen het type commando, de numerieke waarde die dan volgt geeft aan hoe het commando moet worden uitgevoerd.

Commando’s

N: Elke regel begint met de letter N. Het commando N geeft weer welke regel dit is, zo begint een programma met de regel: N0001, wat aangeeft dat dit de eerste regel is. Na het N commando kan ieder ander commando ingevoerd worden op een regel. Bij het maken van een CNC programma zal deze waarde met 10 per regel toenemen. De tweede regel is dus N0011. Hierdoor sla je tien programmeerbare regels over die later gebruikt kunnen worden voor aanvullende regels indien het programma niet voldoet.

G: G commando’s duiden geometrische functies aan. Hier zijn twee groepen te onderscheiden: bewegingen en voorinstellingen. G0, G1, G2, G3 zijn commando’s die verplaatsingen aanduiden. G90,G91,G56 zijn voorinstel commando’s. X,Y,Z…A,B,C: Zijn commando’s die aangeven welke X, Y en Z coördinaten van belang zijn voor de commando’s. Deze worden gebruikt voor een verplaatsing van het gereedschap.

F: Bepaald de aanzetsnelheid. Als G94 actief is wordt de aanzet bepaald in mm/min, met G95 is dit mm / omwenteling.

S: Geeft het toerental of snijsnelheid aan. Als G 96 actief is berekend men het toerental met een bepaalde snijsnelheid, dit is handig bij dwars draaien waarbij de diameter tijdens de bewerking veranderd. Als G97 actief is geeft men een vast toerental aan.

T: Geeft aan welke tool gehanteerd moet worden. Deze waarde is handig voor het automatisch wisselen van gereedschap. Daarnaast heeft elke tool zijn eigen numerieke waarde, zoals beitelradius, gereedschapsdiameter of snijsnelheid. Bij het oproepen van een tool met gebruik van de T commando worden deze waardes automatisch ingeladen vanuit een tabel. Bij het wisselen van gereedschap moet men natuurlijk ervan uitgaan dat deze waardes correct worden ingevoerd.

M: Dit zijn verschillende hulpfuncties. Bijvoorbeeld het aansturen van het koelwater of dergelijke bijkomstigheden.